Problemen met executieve functies

Er zijn verschillende executieve functies. In de wetenschap worden door verschillende wetenschappers verschillende ‘indelingen’ gebruikt. Alle wetenschappers die executieve functies onderzoeken zijn het in ieder geval eens over de volgende drie: werkgeheugen, inhibitie en flexibiliteit. In dit artikel sta ik stil bij deze drie executieve functies. Deze vaardigheden heb je nodig om tot handelen te komen. De ontwikkeling hiervan start al in de baarmoeder en duurt voort gedurende de adolescentie. Je zou kunnen zeggen dat met een jaar of twintig het meeste executieve-functie-werk door het brein gedaan is. Ik zal aan de hand van voorbeelden uitleggen hoe deze drie verschillende executieve functies zich manifesteren in probleemgedrag.

“Anna luistert naar de uitleg van de juffrouw. De juffrouw legt iets uit over deelsommen. Anna begrijpt wat de juffrouw bedoelt. De tussenstappen die de juffrouw voordoet op het bord snapt ze. Die deelsommen zijn helemaal niet zo moeilijk als ze dacht. De juffrouw deelt een werkblad uit waarop allemaal deelsommen staan. De kinderen in Anna’s tafelgroepje gaan direct aan het werk. Maar Anna weet niet meer wat ze moet doen. Als ze de sommen voor zich ziet, weet ze de stappen niet meer, terwijl ze het tijdens de uitleg snapte. Als Anna naar het bord kijkt, ziet ze dat de juffrouw het bord weer leeg heeft gemaakt. Het lukt Anna niet om de taak te voltooien.”

Anna heeft problemen met haar werkgeheugen. Daardoor lukt het haar niet om de instructie te onthouden, ook al begreep ze deze tijdens de uitleg wel. Hierdoor komt ze niet tot voltooiing van de taak. Problemen met het werkgeheugen uiten zich niet alleen in het niet kunnen onthouden van instructies, zoals bij Anna het geval is. Problemen met het werkgeheugen uiten zich ook in: moeite met het volgen van aanwijzingen, moeite met meerstapse complexe taken, problemen met het beklijven van leerstof en het lastig vinden om aantekeningen te maken (Cooper-Kahn & Dietzel, 2015). Het werkgeheugen gebruik je als je iets moet doen en tegelijkertijd iets moet onthouden. Je gebruikt je werkgeheugen bij alledaags dingen, zoals: een telefonische boodschap goed opschrijven, aanwijzingen volgen om op een bepaalde locatie te komen, regels van een spel aan een ander uitleggen, hoofdrekenen, instructies opvolgen als je iets in elkaar zet enz. (Kulman, 2013). Ook gebruik je je werkgeheugen als je controleert of alles waar je mee bezig bent goed verloopt (Mens, Boonstra & Tjallema, 2015). Ondanks dat kinderen met werkgeheugenproblemen goed in staat zijn om sociale contacten met anderen te leggen, trekken ze zich in groepsactiviteiten vaak terug. Op de leervakken rekenen en lezen gaan ze soms maar langzaam vooruit. Soms wordt er aan een leerstoornis gedacht. Ze vertonen soms ongeconcentreerd gedrag en zijn snel afgeleid; dat wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat het werkgeheugen overbelast wordt en het feit dat ze informatie simpelweg vergeten (Gathercole en Alloway, 2014).

“ Pepijn heeft met aandacht geluisterd naar het voorleesverhaal van ‘De kleine mol die wil weten wie er op z’n kop gepoept heeft’. De juffrouw stelt naar aanleiding van het verhaal wat vragen. Nog voor de juf de eerste vraag gesteld heeft, flapt Pepijn het antwoord eruit. Ook na een aantal correcties blijft Pepijn, zo enthousiast als hij is, ongevraagd de beurt nemen. De juf is het zat en zet Pepijn op de gang.”

Pepijn heeft moeite om zijn reactie in te houden. De mogelijkheid om dat te kunnen noemen we respons-inhibitie, ook wel reactie-inhibitie of gedragsinhibitie genoemd. Deze vaardigheid helpt ons om te denken voor we doen en helpt ons beslissen of we reageren. En op welk moment! (Dawson & Guare, 2019). Dawson en Guare (2019) hanteren in hun boek Executieve functies bij kinderen en adolescenten de volgende definitie voor reactie-inhibitie: “het vermogen om na te denken voor je iets doet: de vaardigheid om een reactie uit te stellen of tegen te houden, gebaseerd op het vermogen om verschillende factoren te beoordelen”. Kinderen die moeite hebben met respons-inhibitie kunnen moeilijk omgaan met uitgestelde aandacht, praten overmatig en vinden het lastig om niet te onderbreken of te storen. Ook zie je dat ze moeite hebben om zich fysiek in te houden: ze ‘stuiteren’, grissen dingen weg of kunnen niet van klasgenootjes afblijven. Kleuters hebben nog moeite om hun reactie in te houden. En dat mag ook. Eerder heb je gelezen dat executieve functies ontwikkelen tot een jaar of twintig. Ze hebben dus nog even! De eisen die je stelt aan een kind in groep 8 zijn niet dezelfde als de eisen die je stelt aan een kleuter. Gaandeweg de schoolperiode worden kinderen geacht om steeds meer en meer hun reacties in te kunnen houden en hun impulsen onder controle te hebben.

“Juf Soumia heeft een leuke klas. Ze werken hard en zijn altijd in voor iets spontaans. Daarom heeft Juf Soumia de klas al een aantal keer getrakteerd op leuke activiteiten ’s middags. Gewoon spontaan. Ze merkt echter dat Jasper, Yesmin en Katoo daar moeilijk mee om kunnen gaan. Als Juf Soumia aangeeft dat het geplande middagprogramma komt te vervallen, hebben deze kinderen daar zichtbaar moeite mee. Vooral Katoo schrikt erg en trekt zich terug. Juf Soumia vraagt zich af hoe dat komt.”

Jasper, Yesmin en Katoo hebben moeite met veranderingen. Ze houden liever vast aan de structuur die hen op voorhand geboden is. Ze hebben moeite met flexibiliteit. In de literatuur wordt ook wel eens gesproken over cognitieve flexibiliteit. Dawson en Guare (2019) hanteren de volgende definitie: “De vaardigheid om plannen te herzien als zich belemmeringen of tegenslagen voordoen, zich nieuwe informatie aandient of er fouten worden gemaakt. Het gaat daarbij om aanpassing aan veranderende omstandigheden”. De term rigiditeit is op kinderen met zwakke flexibiliteitsvermogens van toepassing. Moeite hebben met flexibiliteit kan ook inhouden dat je moeite hebt met opdrachten met een open einde. Leerlingen die moeite hebben met flexibiliteit weten niet zo goed wat ze daar mee moeten. Ze worden onzeker en stellen allerlei vragen om een meer gestructureerd eindproduct te krijgen. Ze kunnen de indruk wekken faalangstig te zijn, omdat het lijkt dat ze door steeds vragen te stellen indirect om bevestiging vragen of gewoonweg angstig en onzeker over komen en zich fysiek terugtrekken. Flexibiliteit heb je nodig in vriendschappen; je moet kunnen geven en nemen. Er zijn veel situaties waarbij flexibiliteit nodig is. We sommen er een aantal voor je op: een nieuwe activiteit proberen, aanpassen aan een nieuwe juf of meester, omgaan met wijziging van de plannen, overschakelen naar een andere aanpak, leren van je fouten, iets vanuit het standpunt van een ander zien en in staat zijn om ‘nee’ te accepteren (Kulman, 2013).

Kinderen die zich flexibel kunnen opstellen kunnen op vragen waar meerdere antwoorden op mogelijk zijn ook daadwerkelijk meer antwoorden bedenken en zijn in staat om hun gedrag aan te passen als de instructie, situatie of afspraak (onverwachts) verandert. Daarbij kunnen deze kinderen dingen ‘anders’ bekijken als je hen daarnaar vraagt en met anderen samenwerken. Ook lukt het ze om zich in iemand te verplaatsen. Ze kunnen omgaan met taken die een open einde hebben en hun emoties afstemmen op de situatie (Mens, Boonstra en Tjallema, 2015).

Dit artikel is in 2017 verschenen op het LinkedIn-profiel van Esther Monfils. In 2019 is het eerste deel van Breinhelden, doordacht werken aan executieve functies uitgegeven bij uitgeverij Bazalt.

Wil je weten wat executieve functies zijn? Klik hier voor meer informatie.

Wil je weten of je hier iets in je klas ‘mee moet’? Klik hier voor meer informatie.

Ben je enthousiast over executieve functies en wil je Breinhelden inzetten in jouw klas? Klik hier voor informatie over de scholingsmogelijkheden.

In dit artikel word naar meerdere publicaties verwezen. Al deze publicaties worden genoemd in de literatuurlijst van Breinhelden.

Esther Monfils

Esther Monfils schreef samen met Belinda Herrewijn Breinhelden. Ze werken beiden bij De Praktijk4Kids. Esther heeft ervaring in het basisonderwijs als leraar, RT-er en IB-er. Nu werkt zij als Orthopedagoog Leerproblemen en verzorgt zij diagnostiek en behandeling bij kinderen bij wie het leren niet vanzelf gaat. Esther traint schoolteams en leraren op het gebied van Breinhelden, executieve functies, mindset, hoogbegaafdheid en leerproblemen. Dat doet zij met veel enthousiasme en energie.

Wil je onze boekpresentatie zien?

Wil je de boekpresentatie zien van het Breinheldenprogramma?

Klik hier!

Nu ook workshops online per open inschrijving

Volg de workshop online per open inschrijving! Leer meer over hoe je Breinhelden kunt inzetten.

Klik hier voor meer informatie en aanmelden!

We social!